Op het label van een bank staat bijna altijd een getal met het woord Martindale erachter. Dertigduizend, veertigduizend, soms honderdduizend. In de winkel wordt dat getal graag genoemd, want het klinkt als een belofte: deze stof gaat lang mee. Wat er precies gemeten is, en waarom een lagere waarde soms juist de mooiere keuze is, blijft meestal onbesproken. Terwijl daar het verschil zit tussen een bank die na drie jaar dof en pluizig in de kamer staat en een bank die mooi oud wordt.
Zelf kijk ik bij een stof eerst naar het weefsel en pas daarna naar het cijfer. Dat is geen koketterie. De Martindale-waarde zegt iets over één specifieke vorm van slijtage en niets over de rest van wat een stof in een huiskamer te verduren krijgt. Hieronder staat wat de test doet, welke waarden gangbaar zijn bij welk gebruik, en welke eigenschappen minstens zo zwaar wegen als je een stof voor jaren kiest.
Wat de test meet, en wat niet
Bij de Martindale-test wordt een rond stukje stof strak opgespannen en onder een vast gewicht heen en weer geschuurd tegen een standaardweefsel, meestal een wollen vilt. De machine beweegt in een achtvormig patroon, zodat de stof in alle richtingen wordt belast en niet alleen in de richting van de draad. Om de zoveel omwentelingen kijkt een medewerker naar het proefstuk. Zodra er twee draden gebroken zijn, of bij een pool zoals velours zodra het oppervlak zichtbaar is veranderd, wordt de teller afgelezen. Dat aantal omwentelingen is de waarde die op het label komt.
Wat je daar dus uit leert, is hoe lang een vlak stukje stof onder gelijkmatige druk tegen schuren kan. Wat je er niet uit leert: hoe de stof reageert op zonlicht, op de verf van een spijkerbroek, op kattennagels, op een gemorst glas rode wijn, op de spanning die op een naad in een zithoek staat, en op het simpele feit dat mensen altijd op dezelfde plek gaan zitten. Een laboratorium schuurt netjes over het hele oppervlak. Een gezin schuurt vier jaar lang precies op die ene rechterhoek.
Welke waarde hoort bij welk gebruik
Er is geen wet die voorschrijft welk getal bij welke toepassing hoort. Fabrikanten en stoffenleveranciers hanteren wel al jaren ongeveer dezelfde indeling, en die is bruikbaar als richtlijn. Zo ziet die eruit.
| Gebruik | Gangbare waarde | Waar je dat tegenkomt |
|---|---|---|
| Decoratief | tot ongeveer 10.000 | sierkussens, gordijnstoffen, een bekleed hoofdbord |
| Licht huiselijk gebruik | 10.000 tot 15.000 | een fauteuil in de logeerkamer, een stoel die er vooral staat |
| Normaal huiselijk gebruik | 15.000 tot 25.000 | de bank van een huishouden dat er ’s avonds op zit |
| Zwaar huiselijk gebruik | 25.000 tot 40.000 | een bank die de hele dag in gebruik is, met kinderen of huisdieren |
| Projectinrichting | vanaf ongeveer 40.000 | restaurants, wachtruimtes, kantoortuinen, hotellobby’s |
Boven de veertigduizend wordt het getal voor een woonhuis vooral een verkoopargument. Een stof die honderdduizend omwentelingen haalt, is bijna altijd een dicht geweven synthetisch materiaal dat gemaakt is voor een vliegveld, niet voor een kamer waar je ’s avonds met een boek in wegzakt. Dat verschil voel je met je hand binnen twee seconden.
Waarom een hoger cijfer niet automatisch een betere bank is
De stoffen met de hoogste waarden hebben die waarde te danken aan een strakke, korte, vlakke binding. Er steekt weinig uit, dus er kan weinig afschuren. Precies daardoor gebeurt er ook weinig met zo’n stof in het licht. Hij ziet er in januari hetzelfde uit als in juni, hij vangt geen schaduw, hij krijgt geen patina. Voor een wachtruimte is dat een deugd. In een woonkamer is het vaak de reden dat een bank die technisch nog prima is toch saai begint te voelen.
Linnen haalt zelden hoge cijfers, kreukt zichtbaar en vlekt sneller dan je lief is, maar het valt zwaar en het wordt met de jaren zachter. Katoenvelours verandert per lichtinval van kleur en houdt zitplekken vast, wat sommige mensen slordig vinden en ik juist het bewijs vind dat er geleefd wordt. Een dichte polyester microvezel doet niets van dat alles. Wie een interieur bouwt in lagen, met een grofgeweven kleed onder de tafel, gladde keramiek erbovenop en een zachte stof op de bank, heeft die verschillen nodig. Dat is dezelfde redenering als bij het opbouwen van lagen met meubels, textiel en kleur: als alles even glad en even sterk is, valt er niets meer te voelen.
Wat de gangbare stofsoorten in de praktijk doen
| Stof | Orde van grootte | Hoe het voelt en veroudert | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| Wol en wolmengsels | 25.000 tot 50.000 | veerkrachtig, komt terug in vorm, wordt zelden lelijk | pluist het eerste half jaar, dat trekt bij |
| Katoen en linnen | 10.000 tot 25.000 | mat, zwaar in de val, kreukt en wordt zachter | vlekt makkelijk en verkleurt in fel zonlicht |
| Velours | 15.000 tot 50.000 | verandert van toon per lichtinval, houdt zitsporen vast | de pool kan gaan liggen op vaste zitplekken |
| Bouclé | 15.000 tot 40.000 | zacht en grafisch, geeft een meubel een silhouet | lussen kunnen uitgetrokken worden door nagels of klauwen |
| Polyester microvezel | 40.000 en hoger | glad, vlak, verandert nauwelijks | makkelijk schoon te houden, maar blijft afstandelijk |
Bij een eetkamerstoel ligt de afweging weer anders dan bij een bank. Daar schuurt de rugleuning tegen de tafelrand, wordt de zitting nat van jassen die eroverheen hangen en wordt de stoel tien keer per dag aangeschoven. Een sculpturale stoel waarvan de vorm het uitgangspunt is, zoals de iconische modellen die kunst en zitcomfort combineren, verdient dan een stof die tegen schuren kan, ook al zou het cijfer voor een bank ruim voldoende zijn geweest.
De cijfers die niemand uit zichzelf noemt
Naast de Martindale-waarde staan er op een technisch blad nog een paar getallen die vaak nuttiger zijn. De pillingwaarde loopt van 1 tot 5 en zegt hoe snel er bolletjes ontstaan; onder de 4 ga je die bolletjes in het eerste jaar zien. De lichtechtheid loopt van 1 tot 8 en zegt hoe snel de kleur verschiet. Staat je bank voor een groot raam op het zuiden, dan is dat getal belangrijker dan alle schuurtoeren bij elkaar, want een verbleekte rugleuning valt eerder op dan een dunnere stof. Verder staat er meestal een reinigingscode en soms een trekvastheid, wat vooral telt bij losse hoezen die je regelmatig wast.
Bij een leverancier zijn die bladen gewoon opvraagbaar. In een woonwinkel moet je erom vragen, en dat is precies de vraag waarmee je merkt of iemand de collectie kent. Vraag naar de pillingwaarde, naar de lichtechtheid, naar of de stof per meter nabestelbaar is over vijf jaar, en of er losse hoezen mogelijk zijn. Neem een staal mee naar huis, leg het een week op de plek waar het meubel komt te staan en kijk er ’s ochtends en ’s avonds naar. Een kleur die in de winkel onder spotjes prachtig is, kan bij noorderlicht grauw worden. Datzelfde geldt trouwens voor een vloerkleed: ook kleden die als kunst in de kamer liggen veranderen volledig van karakter zodra het licht draait.
Wat ik zelf zou doen
Voor een bank in een normaal huishouden is iets tussen de vijfentwintig- en veertigduizend ruim voldoende, en alles daarboven kost je vooral zachtheid. Voor een fauteuil die er staat om mooi te zijn en waar per week een paar uur op gezeten wordt, mag het getal gerust lager liggen dan de verkoper prettig vindt. Zit er een kat in huis, dan is het weefsel belangrijker dan het getal: kies iets vlaks in plaats van iets met lussen, want een bouclé die veertigduizend omwentelingen haalt overleeft geen enkele nagel.
Het cijfer is met andere woorden een ondergrens, geen kwaliteitsoordeel. Het vertelt je of een stof geschikt is voor het gebruik dat je in gedachten hebt. Of je er over tien jaar nog blij mee bent, hangt af van hoe het materiaal reageert op licht, op tijd en op de mensen die erop gaan zitten. Dat staat op geen enkel label, en dat is meteen het leukste deel van de keuze.
