Hoe de loungestoel van Eames in zeventig jaar een statussymbool werd

by Syl
Hoe de loungestoel van Eames in zeventig jaar een statussymbool werd

Er is een handjevol meubels dat iedereen herkent zonder de naam te kennen, en de loungestoel van Charles en Ray Eames staat daar bovenaan. Drie gebogen schalen van gelaagd hout, leren kussens die eruitzien alsof er al twintig jaar iemand in zit, een lage voet van aluminium en een bijpassend voetenbankje. Hij duikt op in films, in directiekamers en in reclames voor dingen die niets met meubels te maken hebben. Dit jaar bestaat hij zeventig jaar, en de weg van experiment naar statussymbool is minder vanzelfsprekend dan hij achteraf lijkt.

1940: een prijsvraag die om een nieuwe techniek vroeg

Charles Eames en Eero Saarinen dienen samen een inzending in voor de wedstrijd Organic Design in Home Furnishings van het Museum of Modern Art in New York. Ze winnen, maar hun ontwerp van in vorm geperst multiplex blijkt met de toenmalige techniek nauwelijks te maken. Het probleem is niet de vorm, het is de machine. De jaren daarna gaan grotendeels op aan het oplossen daarvan, deels in een zelfgebouwde pers in het appartement van Charles en Ray.

1946: van medische spalk naar meubel

Tijdens de oorlog maken de Eamesen in opdracht van de Amerikaanse marine spalken van geperst multiplex voor gewonde soldaten. Dat werk levert precies de kennis op die het meubelontwerp mist: hoe je hout in twee richtingen tegelijk buigt zonder dat het splijt. In 1946 komt de eerste serie stoelen uit die techniek bij Herman Miller in productie, en daarmee is de basis gelegd voor alles wat er daarna volgt.

1956: het debuut op de televisie

De loungestoel verschijnt als model 670, met het voetenbankje als 671. Hij wordt geïntroduceerd in een televisieprogramma, wat destijds ongebruikelijk was voor een meubel en achteraf een treffende keuze bleek: dit was een stoel voor de huiskamer van het naoorlogse gezin met een tv erin. Charles Eames omschreef het gewenste gevoel ooit als dat van een lang gebruikte honkbalhandschoen, en dat is precies wat het ontwerp doet. Het is geen strak modernistisch meubel maar een zachte, bijna loom uitziende zetel op een strak onderstel.

Belangrijk detail: de stoel was nooit bedoeld als massaproduct. Waar de Eamesen jarenlang hadden gezocht naar goedkope stoelen voor iedereen, was dit bewust een duur stuk, gemaakt van palissanderfineer en leer. Die tegenstelling zit er vanaf dag één in.

1957: Europa krijgt een eigen productielijn

Vitra begint in Zwitserland met de productie van Herman Miller-ontwerpen voor de Europese markt. Dat is de reden dat er tot op vandaag twee legitieme versies naast elkaar bestaan, met kleine verschillen in maatvoering en afwerking. Herman Miller bedient Noord- en Zuid-Amerika, Vitra Europa en het Midden-Oosten. Beide zijn origineel, en dat verwart nog steeds mensen die op de tweedehandsmarkt zoeken.

De jaren negentig: het hout verandert

Braziliaans palissander, het oorspronkelijke fineer, komt onder internationale handelsbescherming te staan. De fabrikanten stappen over op andere houtsoorten: noten, kersen, essen en later gecertificeerd santos palissander. Voor verzamelaars maakt dat een prijsverschil van duizenden euro’s tussen een vroege en een latere stoel, terwijl de vorm identiek bleef. Het is een van de weinige gevallen waarin een milieuregel rechtstreeks zichtbaar is in de tweedehandsprijs van een meubel.

De jaren tweeduizend: de mens wordt langer

Herman Miller brengt een hogere uitvoering uit, omdat de gemiddelde lengte sinds 1956 flink is toegenomen en de originele maat voor veel mensen te klein aanvoelt. Dat is een detail dat zelden wordt genoemd maar veel zegt: een ontwerp dat zeventig jaar meegaat, gaat niet mee omdat het onveranderlijk is, maar omdat de makers bereid waren het aan te passen zonder de vorm los te laten.

Nu: het origineel, de kopie en het gat ertussen

Een nieuwe stoel met voetenbank kost bij de officiële fabrikanten grofweg tussen de zesduizend en tienduizend euro, afhankelijk van houtsoort en leer. Daarnaast bestaat er een grote markt van kopieën vanaf een paar honderd euro. Die kopieën zien er op een foto verrassend goed uit en zakken in de praktijk door op precies de punten die je niet fotografeert: de dikte van de schalen, de manier waarop de schokdempers tussen zitting en rugleuning werken, en de dichtheid van het schuim. Na twee jaar hangt bij een goedkope versie het leer, terwijl een origineel uit 1970 nog steeds in vorm staat.

Wat mij aan deze geschiedenis het meest opvalt, is dat de stoel nooit is ontworpen als statussymbool en het toch is geworden. Dat gebeurde niet door reclame maar door duurzaamheid in de letterlijke zin: hij ging zo lang mee dat hij op tweedehandsmarkten een eigen waarde kreeg, en die waarde maakte hem tot een teken van iets. Bij vrijwel elk ander meubel werkt het andersom. Het is dezelfde beweging die je ziet bij iconische sculpturale stoelen, waar de zitfunctie op een gegeven moment ondergeschikt raakt aan wat het object betekent.

Daar zit ook meteen mijn bezwaar. Een stoel die zeventigduizend keer is nagemaakt en in elke advertentie voor een verzekering staat, draagt in een woonkamer nauwelijks nog een eigen verhaal. Wie hem koopt omdat hij goed zit en dertig jaar meegaat, doet iets verstandigs. Wie hem koopt omdat het ding herkend wordt, koopt het duurste cliché in de meubelbranche. De betaalbare ontwerpen die niemand meteen thuisbrengt doen in een interieur vaak meer, zoals ook blijkt uit het overzicht van designklassiekers uit het IKEA-assortiment.

En dan is er nog de bredere les over hoe smaak beweegt. Wat ooit gedurfd was, wordt vanzelfsprekend, daarna oubollig, en vervolgens weer interessant. Palissander was in 1956 modern, in 1985 truttig en is nu weer gewild. Precies dat patroon zie je bij meer elementen terugkomen, zoals beschreven in het stuk over het omstreden designelement uit de jaren tachtig dat terugkeert.

Zeventig jaar na de introductie is de conclusie eigenlijk simpel. Het bijzondere aan deze stoel is niet dat hij mooi is, want dat vinden mensen van iets dat ze duizend keer hebben gezien vanzelf. Het bijzondere is dat er vijftien jaar techniekontwikkeling in zit voordat er één exemplaar werd verkocht. Dat is het deel dat zich niet laat namaken voor driehonderd euro.

Related Posts

Leave a Comment